De opdracht voor het ontwerp van het Nederlands paviljoen voor de wereldtentoonstelling in Sevilla in 1992 werd verkregen na het winnen van een prijsvraag. Naast expositieruimten en ruimten voor ontvangsten en voorstellingen, vraagt het gebouw ook ruimte voor personeelsvoorzieningen, kantoren en installaties.

Het ontwerp is in hoge mate gebaseerd op de grote stroom mensen die door het gebouw wordt geleid. De bezoekersstroom wordt langs een vastgestelde hoofdroute via loopbruggen, drie grote 'tunnels' met rolpaden en trappen langs de verschillende exposities geleid. Wie meer van de op de hoofdroute getoonde onderwerpen wil weten, kan de verschillende expositieruimten die aan de hoofdroute zijn gelegd bezoeken, om daar voor onbepaalde tijd verblijven. De route meandert langs de gevel van het gebouw van de begane grond naar de bovenste verdieping. Via de thema's water en land leidt de hoofdroute naar cultuur. Op de bovenste verdieping exposeerden glazen vitrines schilderijen van oude Hollandse meesters. Vanaf de hoogste verdieping worden de bezoekers via een grote, lange roltrap in het midden van het gebouw in één keer terug naar de uitgang op de begane grond gebracht.

Het droge en hete klimaat van Sevilla is bepalend geweest voor de verschijningsvorm van het paviljoen. Leidraad voor het ontwerp was het principe van 'desert cooling'. Een techniek die op kleine schaal in de traditionele djara (stenen waterkruik) wordt toegepast in Arabische landen. Door verdamping van water door de poreuze wand van de kruik onttrekt dit proces energie in de vorm van warmte aan het resterende water in de kruik. De kruik houdt het water relatief koel. Na uitvoerig te zijn getest, is dit principe toegepast op de schaal van het tentoonstellingspaviljoen. De gevels van het paviljoen zijn gemaakt van open geweven doek, waarop continu water wordt gesproeid. Luchtstromen langs het doek van de immer aanwezige wind voeren de verdampte waterdamp af. Binnen het paviljoen is het daardoor enkele graden koeler dan buiten. Het transparante doek in de gevel geeft het tentoonstellingsgebouw een opvallend uiterlijk. Overdag kunnen bezoekers dwars door de gevel naar binnen kijken, 's avonds straalt het licht van binnen naar buiten als een lantaarn.

Het gebouw is geheel geprefabriceerd in Nederland. Op deze manier kon de overbelaste bouwmarkt in Spanje worden ontzien en werden de werkzaamheden in Sevilla tot een minimum beperkt. Maar ook moest de constructie van het gebouw rekening houden met het transport van Nederland naar Spanje. Het gebouw is om die reden zo licht mogelijk geconstrueerd en volledig demontabel. De hoofddraagconstructie is van staal. Vloeren en loopbruggen zijn gemaakt van dubbele T-liggers van voorgespannen beton, met een breedte van 2,4 meter. Het dak bestaat uit drie banen opgebouwd uit stalen dakpanelen, die tezamen de Nederlands driekleur vormen. Tussen deze gesloten stroken zijn twee opgeblazen luchtkussens van kunststoffolie gespannen. De folie aan de bovenzijde is aluminiumkleurig om de zonnestraling optimaal te reflecteren, de folie aan de onderzijde van het luchtkussen is transparant. Ook de lucht in het kussen heeft een isolerende werking.