Rob begon als student beeldhouwen aan de Rietveld. ‘Ze noemden me de ingenieur, ik maakte beredeneerde constructivistische beelden, een soort maquettes zonder nut. ’Zijn hang naar samenwerking en de noodzaak die hij voelde op een directe manier maatschappelijk nuttig te zijn zorgden ervoor dat hij geen beeldhouwer werd. Hij koos aansluitend voor een studie bouwkunde, aanvankelijk vanwege de schoonheid van constructies, waarin wiskunde, materiaal en gevoel samenkomen.

Het mooiste aan architect zijn noemt hij de combinatie van drie dingen: dat gedachten-experimenten en visies over schoonheid ook realiteit kunnen worden. Het leidinggeven aan een ontwerpproces waar alles bij elkaar moet komen. En het ondernemers-avontuur dat ook in de architectuur zit.

‘Dat we gingen werken in opkomende markten leverde een cultuurschok op. Je hebt daar geen netwerk, je moet ver buiten je comfort-zone opereren, omdat je niet weet hoe ze daar zaken doen in het begin. Je neemt enorme risico’s. Geweldig spannend. Het is ook een erg boeiend gebied waar grote en snelle veranderingen plaatsvinden. Die drang om ver in de toekomst te kijken en met groot optimisme plannen te maken en te bouwen is enorm inspirerend.’