Wat hem aansprak in de studie industrieel ontwerpen aan de TU Delft was dat alles, van context en concept tot de meest technische details bij elkaar kwam, en dat je geacht werd alles zelf te doen. Maar met een beroepspraktijk als ontwerper had hij het moeilijk. Het vluchtige karakter van het productontwerp, met marketing en winstmaximalisering als drijvende krachten, stond hem tegen.

Vandaar de overstap naar bouwkunde en architectuur, waar het niet om een serieproduct gaat, maar om een ontwerp voor deze plek en deze set van functies, custom made.

‘Mijn kijk op architectuur is deels gebaseerd op een ander deel van mijn leven, namelijk de betrokkenheid bij het theater, waarvoor ik decorbouw en belichting deed. Ook in de architectuur gaat het mij om me voor te stellen hoe het voor de gebruiker is, zintuiglijk en lichamelijk, om ergens te zijn. Ik denk in scenarios en verhalen, omdat ook ruimtelijke ervaringen achter elkaar, in een reeks staan.’

Zijn voorkeur gaat uit naar het ontwerpen van bruggen en stations, juist door de combinatie van technische functionaliteit en het vormgeven van beleving voor verschillende gebruikers. Bij ZJA voelt hij zich heel goed, vanwege de onderzoekende benadering van de architectuur en de opvatting van ontwerp als een proces van experimenteren en vernieuwen. Hij gelooft in de rol van de ongezochte vondst.