Witte olifanten

We kennen de beelden van vervallen Olympische stadions in Griekenland, Rusland en Brazilië. Eerst werden er hele volkswijken gesloopt, honderden miljoenen uitgegeven en nu staan er overwoekerde, roestende witte olifanten schulden op te stapelen. Te duur om te slopen. Dat is een inefficiënte manier om stadions te ontwerpen en te bouwen. Dat kan beter.

Een lastig type gebouw        

Een ideaal stadion is allereerst een sportfaciliteit die grote groepen toeschouwers comfortabel laat aanreizen, een prettige zitplek geeft, voorzien van alle gemakken zoals eten, drinken, toiletten, breedband-internet en vermaak buiten de wedstrijd, en hen een optimaal zicht op het speelveld biedt, bij helder licht en met goede akoestische omstandigheden.

Als gebouw dat aan hoge kwaliteitseisen moet voldoen, en maar af en toe, maar dan intensief gebruikt wordt is een stadion een lastig type gebouw. Om te financieren, om te exploiteren en om van de goede infrastructuur te voorzien. Vandaar dat stadions lang gebouwd werden buiten de stad, op goedkope grond, langs snelwegen en met discountwinkelcentra eraan vast. Ideaal is dat niet. Het is inefficiënt en laat het potentieel van een stadion voor de stad en haar bewoners grotendeels ongebruikt.

Hoe ziet zo’n ideaal stadion eruit?

In het ontwerp van ZJA Zwarts & Jansma Architecten zijn drie ringen gedacht rondom het speelveld is een schaalbaar stadion denkbaar, dat, bij loskoppeling van die drie ringen ook onderdak aan nieuwe functies geven kan, zoals kantoren, scholen en sportclubs. Het enorme dakoppervlak en de grote capaciteit regenwater op te vangen maakt het mogelijk om energie op te wekken en koeling te leveren. Voor het stadion zelf, maar later ook voor de buurt. Geothermie, warmte- en energieopslag in grondwater en batterijen en CO2 absorberende materialen kunnen het stadion een motor voor de energietransitie van een stadsdeel laten zijn. Dit vergroot ook de economische waarde van het stadion na het gebruik als sportstadion op maximale capaciteit.

Sport en stad

De stadions die gebouwd worden voor nationale en internationale sport-toernooien kunnen bekeken en ontworpen worden als veelzijdig onderdeel van een compacte stad. Dat vereist een ontwerp waarin de veranderende behoeften en ontwikkelingen in een stedelijk gebied en haar inwoners de kaders bepalen waarin de stadion-functie optimaal kan worden ingepast. Sterker, het stadion wordt een onderdeel van de evolutie van de stad, als de onderdelen ervan bedacht zijn om in de loop der jaren van functie te veranderen: van trainingsfaciliteiten naar kinderdagverblijf, van kantoren naar bibliotheken of woonhuizen, van sportveld naar park, plein of stadsboerderij. Een stadion kan zo gebouwd worden dat het verandert in een klein sportcentrum, een woonpark met een school, winkels en een theater. Maar het kan ook in de loop van twintig jaar oplossen in de stad en een infrastructureel knooppunt worden met publieke gebouwen en kantoren. Dat vereist dat je over een stadion denkt als een assemblage van gebouwen die eerst een geheel vormen en later los van elkaar deel van de stad uitmaken.

Het ontwerp zoals ZJA dat ziet voor het ideale stadion is overal anders, omdat het steeds deel uitmaakt van het infrastructuur-plan van de stad, van de strategie voor de noodzakelijke energie-transitie, en van de plannen voor de noodzakelijke woonhuizen, scholen, culturele en recreatieve faciliteiten en de economische ontwikkeling van een gebied. Naast technische, stedenbouwkundige en economische redenen is er nog een reden om zo over stadions te denken: in stadions komen mensen samen en brengt sport sociale verbinding en biedt het een kans de volksgezondheid te verbeteren. Het ideale stadion zit zo flexibel in elkaar dat het dat potentieel kan koppelen aan omgeving, de bezoekers en buurtbewoners. Zo komt een stadion de hele stad ten goede.        

Onderzoek: 2005
Project: #586