Een vroeg ecoduct

In het midden van de jaren negentig werd werk gemaakt van wat toen nog de Ecologische Hoofdstructuur heette en inmiddels Natuur Netwerk Nederland. Het idee erachter was om gegevens en beleid goed op elkaar af te stemmen om zo optimaal de kwetsbare natuurgebieden te versterken, onder andere door ze beter met elkaar te verbinden. Afnemende biodiversiteit wordt het best bestreden door planten, insecten, vogels en dieren de optimale gelegenheden te bieden elkaar te vinden en aantrekkelijke biotopen te vormen. Gezonde populaties zijn gebaat bij genetische diversiteit en het voorkomen van inteelt.

De rijksweg A1 voert door het Natuurpark De Hoge Veluwe en om de verstorende effecten van die barrière te ondervangen werden door de eerste wildpassages of ecoducten gepland. Op het traject tussen de afrit Stroe en de afrit Assel, waar de middenberm extra breed gemaakt is (tot tachtig meter), niet ver van de afrit Kootwijk, moest er ook een komen. Architectenbureau ZJA verwierf de opdracht om het ontwerp hiervoor te leveren. Het ecoduct Kootwijk werd in 1998 opgeleverd, genoemd naar Dr Harm van de Veen, een ecoloog die zich sterk heeft ingezet voor het aanleggen van verbindingen tussen natuurgebieden.

Gewapende aarde

Bij het ontwerp voor een ecoduct komt het natuurlijk aan op het scheppen van een overzichtelijke en veilige indruk voor de automobilist. Het passeren ervan moet prettig en rustig plaatsvinden. Even belangrijk is het om rekening te houden met de waarneming van de zwijnen, herten en reeën, dassen, kikkers en eekhoorns die hun weg moeten kunnen vinden naar de andere kant van de snelweg. Daarvoor is het nodig het betonnen bouwwerk te laten versmelten met de natuurlijke omgeving. De passage dient zo ontworpen te zijn dat de passerende dieren niet worden afgeschrikt door de geluiden en zichtbare bewegingen van het verkeer. Vanuit de lucht gezien heeft een ecoduct daarom meestal de vorm van een zandloper. Vanuit het landschap verheft zich aan weerszijden een anderhalve meter hoge begroeide wal die een vrije ruimte van tachtig meter geleidelijk versmalt tot de oversteek zelf, die dertig meter breed is. Bomen en struiken vormen een natuurlijk scherm. De bepaling van deze maten en elementen is afgestemd op het gedrag van het schuwste dier waarvoor de passage bedoeld is: het edelhert. Die zandloper-vorm produceert de zachte dwang om de richting van de geruststellende oversteek te vinden.

De wanden van het bouwwerk bestaat uit betonnen elementen, die verankerd zijn in een aarden wal, een techniek die terre armée heet, of gewapende aarde. De overspanning is van ter plekke gestort beton met afgeronde zijden, waartegen aarde gestort is en bomen en struiken zijn geplant.

De lange termijn

Het bijzondere aan dit type ontwerpen is dat ze verbonden zijn aan de eigen tijdschaal en dynamiek van de natuurlijke omgeving. Door de brede groene middenberm en de groei van bomen en struiken, de vorming van alg en mos biedt het ecoduct Kootwijk na meer dan 20 jaar een heel andere aanblik dan toen het in gebruik genomen werd. De kunst is natuurlijk om bij het inpassen van het ontwerp rekening te houden met die natuurlijke dynamiek en over de lange termijn van dit infrastructurele kunstwerk een soort tuin-ontwerp te maken. Het best gelukte ecoduct geeft de indruk dat de autoweg zich in het landschap verstopt en om mensen ongezien langs de dieren te smokkelen.

Architect: ZJA
Opdrachtgever: Rijkswaterstaat
Jaar: 1998